De nieuwe meerwaardebelasting op financiële activa
1. Wat is die “nieuwe meerwaardebelasting” precies?
Het gaat om een nieuwe belasting in de personenbelasting op meerwaarden op financiële activa die natuurlijke personen behalen buiten elke beroepswerkzaamheid. Die meerwaarden worden fiscaal beschouwd als divers inkomen, op basis van de wet van 06.04.2026, en zijn technisch ingepast in onder meer artikel 90, eerste lid, 9° WIB 92 en artikel 92 WIB 92.
2. Voor wie geldt deze belasting?
De regeling geldt voor natuurlijke personen die onderworpen zijn aan de personenbelasting en die meerwaarden realiseren op financiële activa in het normaal beheer van hun privévermogen, dus niet als beroepsactiviteit. Niet-inwoners (belasting van niet-inwoners) vallen volgens de circulaire buiten dit nieuwe regime.
3. Is dit hetzelfde als de oude “speculatietaks” van 33%?
Nee. De nieuwe regeling viseert enkel normale verrichtingen van beheer van het privévermogen. Meerwaarden die voortkomen uit speculatie of abnormaal beheer blijven belast onder artikel 90, eerste lid, 1° WIB 92 aan 33% (plus gemeentebelasting), en vallen dus niet onder het nieuwe 10%-regime.
4. Welke soorten meerwaarden onderscheidt de circulaire?
De circulaire werkt met drie types binnen artikel 90, eerste lid, 9° WIB 92:
Type A – interne meerwaarden: bijvoorbeeld bij bepaalde inbrengen of herstructureringen.
Type B – meerwaarden bij aanmerkelijk belang (artikel 90, eerste lid, 9°, a en b WIB 92).
Type C – algemeen regime of restcategorie: alle meerwaarden op financiële activa die niet onder type A of B vallen (artikel 90, eerste lid, 9°, c WIB 92).
5. Wat verstaat men onder “financiële activa”?
Artikel 92, §1 WIB 92 bevat een limitatieve lijst van financiële activa waarop de meerwaardebelasting kan slaan. Alles wat niet onder één van onderstaande vier groepen valt, valt ook buiten de meerwaardebelasting:
Financiële instrumenten (aandelen, obligaties, fondsen, afgeleide producten, enz.), zoals opgesomd in artikel 2, 1°, a) tot en met k) van de wet van 02.08.2002.
Verzekeringsovereenkomsten en kapitalisatieverrichtingen met een beleggings- of spaarcomponent (bepaalde tak 21, tak 23, enz.), met enkele expliciete uitzonderingen.
Cryptoactiva (waaronder ook bepaalde NFT's, als ze een betalings- of beleggingsdoel hebben).
Geldmiddelen en beleggingsgoud, inclusief bepaalde digitale centrale bankmunten, voor zover ze niet op een klassieke betaalrekening staan.
6. Welk tarief geldt in het algemene regime (Type C)?
Meerwaarden die onder artikel 90, eerste lid, 9°, c) WIB 92 vallen, worden – na toepassing van eventuele vrijstellingen – in principe belast aan 10% (artikel 171, 2°, e) WIB 92), zonder gemeentelijke opcentiemen. Globalisatie met de andere inkomsten is mogelijk als dat voordeliger uitvalt.
7. Moet ik mijn meerwaarden altijd in de aangifte opnemen?
Niet altijd. De circulaire maakt een onderscheid naargelang er roerende voorheffing (RV) kan worden ingehouden:
Op meerwaarden op bepaalde financiële activa (vooral a en b van artikel 92, §1) kan aan de bron 10% RV worden ingehouden.
Op meerwaarden op andere financiële activa (zoals crypto, geldmiddelen, beleggingsgoud) is geen RV mogelijk: die moeten altijd in de aangifte opgenomen worden.
Meerwaarden in het kader van de exit taks lopen steeds via de aangifte (geen RV).
8. Wanneer kan er 10% roerende voorheffing worden ingehouden?
Een RV van 10% is enkel mogelijk op meerwaarden op financiële activa bedoeld in artikel 92, §1, a) en b) WIB 92: dus op financiële instrumenten en op bepaalde verzekerings- en kapitalisatieproducten. Belangrijk detail uit de circulaire: de schuldenaar van de RV mag bij die inhouding geen rekening houden met beschikbare vrijstellingen (basis- of aanvullende vrijstelling), met de regeling van de hogere aanschaffingswaarde, of met eventuele aftrekbare minderwaarden. Eventuele correcties gebeuren dan achteraf via uw aangifte.
9. Kan ik weigeren dat er RV wordt ingehouden (opt-out)?
Ja. De circulaire voorziet een opt-out: als RV principieel mogelijk is, kan u de tussenpersoon laten weten dat u geen inhouding wenst. In dat geval wordt er niets ingehouden en moet u de meerwaarde zelf volledig aangeven. Voor bepaalde verzekeringsproducten (artikel 92, §1, b) die in de beginfase van het regime (1.6.2026–31.8.2026) uitkeren, wordt u zelfs wettelijk geacht voor de opt-out te hebben gekozen, tenzij u uitdrukkelijk om inhouding vraagt.
10. Welke meerwaarden moet ik sowieso zelf in de aangifte zetten?
Meerwaarden op volgende activa moeten altijd via de aangifte aangegeven worden, omdat er geen RV voorzien is:
Cryptoactiva (artikel 92, §1, c).
Geldmiddelen en beleggingsgoud, inclusief bepaalde digitale centrale bankmunten, die als financieel actief kwalificeren (artikel 92, §1, d).
11. Hoe wordt de meerwaarde in het algemeen berekend?
De basisregel staat in artikel 102, §1 WIB 92: de meerwaarde is gelijk aan de ontvangen prijs of waarde, verminderd met de aanschaffingswaarde, voor zover dat verschil positief is. De ontvangen prijs/waarde is alles wat u als vergoeding krijgt (geld, effecten, andere tegenprestatie). De aanschaffingswaarde is de prijs of waarde waarvoor u – of uw rechtsvoorganger – het actief onder bezwarende titel heeft verkregen, met enkele specifieke afwijkingen (bijvoorbeeld bij aandelenopties, inbrengen, vereenvoudigde fusies). Kunt u de aanschaffingswaarde niet met bewijskrachtige gegevens aantonen, dan wordt de volledige ontvangen prijs/waarde als belastbare meerwaarde gezien.
12. Wat is de FIFO-regel en wanneer speelt die?
Als u meerdere identieke financiële activa hebt (bijvoorbeeld honderd identieke aandelen van hetzelfde merk, op verschillende data gekocht), dan geldt First In, First Out (FIFO): het eerst aangekochte stuk wordt geacht het eerst verkocht te zijn. De circulaire benadrukt dat FIFO geen fictie van meerdere afzonderlijke verkopen creëert; het blijft één verrichting met één globaal resultaat, maar intern wordt aan de verkochte stukken een bepaalde aankoopvolgorde toegekend.
13. Worden meerwaarden van vóór 2026 belast?
In principe niet. Voor financiële activa die u vóór 1 januari 2026 hebt verkregen, geldt een “fotomoment” op 31 december 2025. Voor zulke activa wordt de meerwaarde berekend als verkoopprijs verminderd met de waarde op 31.12.2025, zodat de aangroei vóór 2026 in principe buiten schot blijft (artikel 102, §4 WIB 92).
14. Hoe bepaal je die waarde op 31.12.2025?
Artikel 102, §4 WIB 92 geeft concrete waarderingsregels:
Voor genoteerde activa: de laatste slotkoers van 2025.
Voor niet-genoteerde activa: de hoogste van onder meer een recente transactiewaarde tussen onafhankelijke partijen, een waarderingsformule in een bindend contract (bijvoorbeeld een putoptieformule), of, voor aandelen, een formule op basis van eigen vermogen plus vier keer de EBITDA van het laatste boekjaar vóór 1.1.2026.
Als die methodes niet volstaan of u verkiest het anders, kan de waarde ook worden vastgelegd op basis van een verslag van een bedrijfsrevisor of gecertificeerd accountant (die niet uw “gebruikelijke” adviseur mag zijn), opgemaakt uiterlijk tegen 31.12.2027. Voor bepaalde levensverzekeringen en kapitalisatieproducten wordt de waarde op 31.12.2025 gelijkgesteld met de inventarisreserve op die datum (artikel 102/1, §4 WIB 92).
15. Kan ik toch mijn echte historische aankoopprijs gebruiken? (overgangsregime)
Ja. Voor overdrachten tot 31 december 2030 mag u, op uitdrukkelijk verzoek, afwijken van het fotomoment en de meerwaarde berekenen op basis van de oorspronkelijke aanschaffingswaarde, als u die kan aantonen. Bij effecten (artikel 102, §4, laatste lid WIB 92) werkt men in dat geval voor de vóór 2026 aangehouden stukken met een gemiddelde aankoopprijs per actief in plaats van met FIFO. Voor levensverzekeringen en kapitalisatieproducten kan men er (tot 31.12.2030) voor kiezen de waarde op 31.12.2025 gelijk te stellen aan het totaal van de tot dan gestorte premies, mits bewijs (artikel 102/1, §4, laatste lid WIB 92).
16. Kunnen minderwaarden worden verrekend?
Ja, maar beperkt. Artikel 102, §5 WIB 92 bepaalt dat meerwaarden binnen één categorie (artikel 90, eerste lid, 9°, a/b/c) enkel verrekend kunnen worden met minderwaarden binnen diezelfde categorie, en enkel als die minderwaarden in hetzelfde belastbare tijdperk zijn gerealiseerd. Bij activa verkregen vóór 2026 wordt de minderwaarde in principe ook beoordeeld tegen de waarde op 31.12.2025 in plaats van de oorspronkelijke aankoopprijs. Voor verzekerings- en kapitalisatieproducten geeft artikel 102/1, §5 een gelijkaardige definitie van de minderwaarde (negatief verschil tussen uitkering en “aanschaffingswaarde”, zijnde premies of inventarisreserve).
17. Hoe werkt het bij levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen?
Voor de financiële activa van artikel 92, §1, b) (bepaalde levensverzekeringen en kapitalisatieverrichtingen) geldt een afzonderlijke berekeningsregel in artikel 102/1 WIB 92: de meerwaarde is gelijk aan de uitgekeerde kapitalen/afkoopwaarden, verminderd met het totaal van de gestorte premies, voor zover het overeenkomstige deel nog niet eerder is afgekocht. Bij contracten van vóór 2026, immigratie of exit zijn er specifieke regels om de “startwaarde” te bepalen (inventarisreserve op 31.12.2025 of op de datum van in- of uitschrijving).
18. Wat is de “exit taks” op financiële activa?
Wanneer u uw woonplaats of zetel van fortuin naar het buitenland verplaatst, wordt dat voor de meerwaardebelasting behandeld alsof u uw financiële activa onder bezwarende titel overdraagt (artikel 92, §2, 2° WIB 92). Er wordt dan een fictief realiseermoment aangenomen en een meerwaarde berekend volgens artikel 102 en 102/1. De circulaire werkt uit in welke gevallen uitstel van betaling (automatisch of op verzoek) mogelijk is en onder welke voorwaarden de fiscus dat kan controleren.
19. Vanaf wanneer geldt dit regime?
De nieuwe meerwaardebelasting op financiële activa geldt vanaf 1 januari 2026 (artikel 35 van de wet van 06.04.2026, zoals bevestigd in de circulaire).
20. Geldt deze regeling ook voor niet-inwoners (BNI)?
Nee. De circulaire geeft aan dat het nieuwe regime niet wordt toegepast in de belasting van niet-inwoners; daarvoor zijn onder meer de artikelen 228 en 232 WIB 92 aangepast.
Gebaseerd op Circulaire 2026/C/74 over de belasting op meerwaarden op financiële activa in de personenbelasting, en op de artikelen 90, 92, 102 en 102/1 WIB 92.